Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 september 2018
Onder 3.26 Parket bij de Hoge Raad 7 september 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 september 2018, ECLI:NL:PHR:2018:943.
In dat verband rijzen twee vragen. Ten eerste wat een relevante minimale periode is om te kunnen spreken van het land waar gewoonlijk wordt gewerkt. Over die vraag bestaat geen Europese rechtspraak. Ten tweede de vraag hoe moet worden bepaald wat de plaats is waar gewoonlijk wordt gewerkt. Over die vraag is wèl rechtspraak voor handen, ook met betrekking tot ‘mobiele beroepen’ waarbij werkzaamheden op verschillende plaatsen worden verricht. Het internationale vervoer is daar een voorbeeld van. Het HvJEU heeft voor het wegvervoer, de scheepvaart en voor de luchtvaart concrete aanknopingspunten geformuleerd om te kunnen bepalen wat het land is waar de werknemer ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Deels zijn die aanknopingscriteria overlappend, deels zijn zij toegespitst op de betrokken vervoerssoort.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cd5f82452161d0140b27c8f9c80fead24aa3be6c912cd25cb540efd6015fa8d8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cd5f82452161d0140b27c8f9c80fead24aa3be6c912cd25cb540efd6015fa8d8, en de alinea staat in dat document op bytes 76463 tot 77720.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cd5f82452161d0140b27c8f9c80fead24aa3be6c912cd25cb540efd6015fa8d8 | shasum -a 256