Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 oktober 2019
Onder 2.7 Parket bij de Hoge Raad 4 oktober 2019
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1007.
Voor zover de man betoogt dat het thans in redelijkheid niet (meer) mogelijk is om tot afstorting van de aanspraken van de vrouw over te gaan zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen, mede gelet op de noodzakelijke dividenduitkering die in 2014 heeft plaatsgevonden om zijn te hoge rekening-courantverhouding naar beneden te brengen, overweegt het hof als volgt. Blijkens het deskundigenrapport heeft de dividenduitkering in 2014 van € 250.000,- tot gevolg gehad dat de rekening-courantschuld op 31 december 2014 tot € 253.493,- (ten opzichte van € 451.777,- per 1 januari 2014) is gedaald. Hierdoor is het eigen vermogen van [A] fors afgenomen, hetgeen tot gevolg heeft dat de dekking van het pensioen in eigen beheer eveneens is afgenomen. Gelet op het door de deskundige berekende privévermogen van de man – blijkens zijn aangifte IB 2014 van per saldo € 317.562,- (positief) – had de man (dit gedeelte van) zijn rekening-courantschuld niet door middel van een dividenduitkering behoeven af te lossen. In dat bedrag is het mogelijk liquide te maken vermogen in [C] (waarin door de man een 75,12% aandeel wordt gehouden) door middel van een dividenduitkering nog niet eens meegenomen. Als daarmee wel rekening wordt gehouden, was er volgens de deskundige sprake geweest van een positief saldo van € 623.562,-. Had de man er derhalve voor gekozen om vanuit zijn privévermogen tot een (gedeeltelijke) aflossing van de rekening-courantschuld over te gaan (nu volgens de man het terugbrengen van de rekening-courantschuld noodzakelijk was), dan was het eigen vermogen van [A] niet gedaald en was daarmee ook de dekking van het pensioen in eigen beheer niet afgenomen, zo begrijpt het hof uit het deskundigenrapport. Dit brengt het hof tot het oordeel dat deze afname van de middelen van de BV na echtscheiding (en terwijl de man wist dat hij tot afstorting van het aan de vrouw toekomende deel van de pensioenaanspraken in eigen beheer diende over te gaan) op basis van de postrelationele solidariteit niet evenredig tussen de ex-partners dient te worden verdeeld, zoals de man kennelijk voorstaat. Hoewel de deskundige schrijft niet te hebben kunnen vaststellen of er thans nog voldoende middelen in [A] aanwezig zijn, ziet het hof – mede gelet op het voorgaande – geen aanleiding om de meest recente jaarrapporten van [A] (alsnog) ter beoordeling aan de deskundige voor te leggen. Daarenboven had het op de weg van de man gelegen om voldoende gemotiveerd te stellen dat de huidige situatie een dergelijke afstorting niet toelaat, en – nu dit gemotiveerd door de vrouw is betwist – een dergelijke stelling te onderbouwen met stukken. Aangezien hij dit heeft nagelaten, dient dit voor rekening en risico van de man te blijven.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f16c1d73926cf4ca1def07ff65d62c1cea07a3de30bb3039851d22a7312ab493. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f16c1d73926cf4ca1def07ff65d62c1cea07a3de30bb3039851d22a7312ab493, en de alinea staat in dat document op bytes 28126 tot 30910.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f16c1d73926cf4ca1def07ff65d62c1cea07a3de30bb3039851d22a7312ab493 | shasum -a 256