Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 oktober 2019

Onder 2.12 Parket bij de Hoge Raad 4 oktober 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1007.

De aan het slot van 2.5 hierboven weergegeven klacht in cassatie van de vrouw dat niet gesteld of gebleken is dat wat voor de vrouw geldt – namelijk dat zij als gevolg van het tijdsverloop en de lage rente een aanzienlijk bedrag tekort komt bij de afstorting om het aan haar toekomende deel van de pensioenaanspraak zeker te stellen – ook voor de man zou gelden, nu gesteld noch gebleken is dat die op de peildatum voornemens was zijn deel van het pensioen af te storten bij een verzekeraar, stuit af op de zojuist genoemde overwegingen van de Hoge Raad. Die gaan er immers vanuit dat er – ook als geen sprake is van afstorting voor de echtgenoot-ondernemer zelf – voor hem een naar gelijke normen berekend bedrag moet achterblijven in de onderneming.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f16c1d73926cf4ca1def07ff65d62c1cea07a3de30bb3039851d22a7312ab493. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f16c1d73926cf4ca1def07ff65d62c1cea07a3de30bb3039851d22a7312ab493, en de alinea staat in dat document op bytes 50699 tot 51471.