Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 oktober 2019

Onder 2.16 Parket bij de Hoge Raad 4 oktober 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1007.

Het is overigens maar de vraag of het in dit geval uitmaakt of die toets wel of niet geheel correct is aangelegd. Als door het hof onbestreden vastgesteld, staat immers vast dat er op de peildatum van 23 maart 2012, althans per 31 december 2011, een werkkapitaal van € 679.356,- beschikbaar was en dat dit destijds voldoende was voor afstorting van de commerciële waarden van de pensioenaanspraken van man en vrouw en ook de continuïteit van de onderneming niet in gevaar bracht (rov. 2.6). Als onbestreden in cassatie staat ook vast dat – uitgaande van de situatie dat op het tijdstip van scheiding hiervoor voldoende kapitaal aanwezig was – de man onvoldoende heeft aangevoerd om ervan uit te gaan dat “ thans ” (op moment dat het hof de man tot afstorting veroordeelt) niet voldoende middelen in [A] aanwezig zijn (rov. 2.7). Daarbij moet nochtans, als gezegd, worden aangetekend dat deze overwegingen van het hof zijn gebaseerd op de commerciële waarde per peildatum en niet per datum van afstorten, welke laatste datum mijns inziens dus wél moet worden aangehouden. Op eerstgenoemde datum bedroeg deze waarde, zoals berekend door de deskundige en – in cassatie onbestreden – overgenomen door het hof, voor de vrouw € 302.372,-; op laatstgenoemde datum, althans per 1 januari 2018, bedroeg deze (rest)waarde voor de vrouw € 357.089,- (rov. 2.5). Dat leidt tot de conclusie dat niet zonder meer gezegd kan worden dat het (werk-)kapitaal ook voldoende is voor afstorting van de commerciële waarden van de pensioenaanspraken van beide echtgenoten naar datum van afstorting. Tegelijkertijd lijkt echter ook te moeten worden geconcludeerd dat er op de peildatum in ieder geval ruimte bestond om méér kapitaal aan de vrouw toe te kennen voor afstorting van haar pensioen dan het hof heeft gedaan, zonder af te doen aan het recht van de man. Kortom, niet geheel duidelijk is of er op het moment van afstorting toch sprake zou zijn van een dekkingstekort dat zou moeten worden gedeeld en tot een lager afstortingskapitaal voor de vrouw zou leiden, en of haar deel van een dergelijk dekkingstekort wellicht (minstens) even groot zou zijn als de hogere commerciële waarde waarop de vrouw (zoals gesteld in haar klachten in cassatie) in beginsel recht heeft, maar haar door het hof is ontzegd. In ieder geval kan hiermee niet gezegd worden dat het belang van de vrouw bij het slagen van haar klachten zonder meer ontbreekt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f16c1d73926cf4ca1def07ff65d62c1cea07a3de30bb3039851d22a7312ab493. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f16c1d73926cf4ca1def07ff65d62c1cea07a3de30bb3039851d22a7312ab493, en de alinea staat in dat document op bytes 62901 tot 65517.