Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2019

Alinea 195 Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1018.

21. Daarmee is evenwel nog niet gezegd dat de bestreden beslissing van het hof Arnhem-Leeuwarden om de verklaringen die de verdachte op 18 en 19 oktober 2007 bij de FIOD heeft afgelegd voor het bewijs te gebruiken, een schending van art. 6 EVRM oplevert. Ik leg dit uit. De Hoge Raad heeft van begin af aan geoordeeld dat een schending van het recht op consultatiebijstand meebrengt dat een belangrijk strafvorderlijk voorschrift in aanzienlijke mate is geschonden, zodat in beginsel bewijsuitsluiting op zijn plaats is. Geen ruimte is er dan om aan de hand van de in art. 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren af te wegen welk rechtsgevolg aan zo een vormverzuim wordt verbonden. De eerste cassatieronde in de onderhavige zaak illustreert voorts dat niet licht kan worden gezegd dat de van consultatiebijstand verstoken verdachte niet in zijn belangen wordt geschaad door het gebruik voor het bewijs van de vóór het raadplegen van een advocaat door hem afgelegde verklaring. Of eenzelfde benadering ook zal worden gevolgd ten aanzien van verhoorbijstand moet worden afgewacht. In HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3608, NJ 2016/52, m.nt. Klip overweegt de Hoge Raad dat aan het verzuim van verhoorbijstand niet noodzakelijkerwijs het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting behoeft te worden verbonden, maar overweegt hij bovenal dat bewijsuitsluiting niet aan de orde is als het gaat om verhoren van vóór 1 maart 2016. Dat de Hoge Raad dit naar eigen zeggen voorschrijft “bij wijze van overgangsrechtelijke regel” zou de verwachting kunnen doen wekken dat voor vormverzuimen met betrekking tot de verhoorbijstand die zijn begaan in verhoren van later datum een sanctioneringsregime zal gelden dat vergelijkbaar is met de wijze waarop schending van het recht op consultatiebijstand pleegt te worden gesanctioneerd. Dergelijke strikte bewijsuitsluitingsregels hebben in elk geval het voordeel van duidelijkheid en hanteerbaarheid. Wat hiervan ook zij, duidelijk is dat de Hoge Raad het ontbreken van verhoorbijstand in verhoren van vóór 1 maart 2016 niet met bewijsuitsluiting sanctioneert, voor zover het Europese recht de ruimte laat om daarvan af te zien.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca4df2cda30db6479f087ca658a530c2539f6d87904ff1d27da9b08481d5abba. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca4df2cda30db6479f087ca658a530c2539f6d87904ff1d27da9b08481d5abba, en de alinea staat in dat document op bytes 67903 tot 70312.