Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2019
Alinea 196 Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2019
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1018.
22. Ook als thans zou moeten worden geoordeeld dat de verdachte aan art. 6 EVRM een recht op verhoorbijstand kan ontlenen dat tot op zekere hoogte eveneens geldt voor verhoren die hebben plaatsgevonden vóór 22 december 2015, is niet gezegd dat daarvoor dezelfde strikte en eenvoudig hanteerbare bewijsuitsluitingsregels (als hiervoor genoemd) behoren te gelden. Bij de beoordeling of in een in cassatie voorliggende zaak, waarin de verdachte zonder verhoorbijstand door de politie is verhoord vóór 1 maart 2016, art. 6 EVRM de feitenrechter noodzaakte tot bewijsuitsluiting, moet immers worden bedacht dat de door de Hoge Raad voor schendingen van het recht op consultatiebijstand gegeven min of meer categorische bewijsuitsluitingsregels, door het Europese Hof niet zo streng worden voorgeschreven.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca4df2cda30db6479f087ca658a530c2539f6d87904ff1d27da9b08481d5abba. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca4df2cda30db6479f087ca658a530c2539f6d87904ff1d27da9b08481d5abba, en de alinea staat in dat document op bytes 70355 tot 71172.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ca4df2cda30db6479f087ca658a530c2539f6d87904ff1d27da9b08481d5abba | shasum -a 256