Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2019

Alinea 214 Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1018.

32. Ik deel de opvatting van het hof dat de valsheid van facturen waarop met betrekking tot (kort gezegd) het leveren van goederen de inkoop-btw aan een ondernemer in rekening wordt gebracht, in de weg staat aan een recht op aftrek van voorbelasting. Art. 15, eerste lid onder a. en b., Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) geeft de ondernemer het recht op aftrek als bedoeld in art. 2 Wet OB slechts voor zover de ondernemer beschikt over een “op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur”. Uit het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2664 volgt dat alleen sprake kan zijn van een factuur als het een bescheid betreft waarop de betaling van een bedrag wordt gevorderd en het overigens alle vereiste factuurgegevens bevat. Zo een factuur, zijnde een bescheid waarop de betaling van een bedrag wordt gevorderd, moet voldoen aan de eisen die worden genoemd in art. 35 e.v. Wet OB. Onder meer geldt dat de volledige naam en het volledige adres van de ondernemer en zijn afnemer op de factuur dienen te worden vermeld (art. 35a, eerste lid onder e), althans – als het gaat om een vereenvoudigde factuur – in elk geval de identiteit van de ondernemer die de goederenlevering of dienst verricht (art. 35a, tweede lid onder b, Wet OB).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca4df2cda30db6479f087ca658a530c2539f6d87904ff1d27da9b08481d5abba. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca4df2cda30db6479f087ca658a530c2539f6d87904ff1d27da9b08481d5abba, en de alinea staat in dat document op bytes 82606 tot 84020.