Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2019

Alinea 233 Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1018.

45. Door de verdachte te veroordelen, is het hof afgeweken van hetgeen de raadsman ter zake heeft aangevoerd, zonder daarop afzonderlijk te reageren. Ik meen dat het hof tot zo een afzonderlijke respons niet gehouden was. Het verweer berust namelijk op de onjuiste gedachte dat de verdachte geen recht op aftrek van voorbelasting toekwam omdat hij (c.q. de rechtspersoon waaraan hij de feitelijke leiding gaf) bewust deelnam aan btw-fraude terwijl hij over een “op zichzelf correcte factuur” beschikte. Dat het om een “op zichzelf correcte factuur” ging is een denkfout van de raadsman. Daar is het hof dus niet in meegegaan. Volgens het hof is de onjuistheid van de aangiften namelijk het gevolg ervan dat de verdachte juist niet beschikte over een “op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur” als bedoeld in art. 15, eerste lid, Wet OB (maar enkel over valse facturen). Aan het – ook door de raadsman in zijn pleidooi tot uitgangspunt genomen – vereiste van een “op zichzelf correcte factuur” heeft de verdachte dus naar het oordeel van het hof niet voldaan. Gesteld noch gebleken is dat ten tijde van het tenlastegelegde feit kon en mocht worden gemeend dat zo een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur geen vereiste was voor aftrek van voorbelasting.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca4df2cda30db6479f087ca658a530c2539f6d87904ff1d27da9b08481d5abba. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca4df2cda30db6479f087ca658a530c2539f6d87904ff1d27da9b08481d5abba, en de alinea staat in dat document op bytes 98537 tot 99906.