Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2019

Onder 3.29 Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1059.

Het komt er in de kern op neer dat door middel van het kunnen uitoefenen van stemrechten in de algemene vergadering of door het kunnen benoemen of ontslaan van bestuurders of commissarissen “min of meer duurzaam (dat wil zeggen niet incidenteel maar structureel) zeggenschap binnen de dochtermaatschappij kan worden uitgeoefend door de ‘moeder’.” Door Bartman is ervoor gepleit om voor het kunnen verzoeken van een concernenquête aan te knopen bij het criterium dat schuilt achter het begrip dochtermaatschappij van art. 2:24a BW. Het aansluiten bij een geldende wettelijke bepaling spreekt mij in deze benadering aan. In de benadering van Bartman wordt echter voorbijgegaan aan het eerste element voor het zijn van groeps maatschappij: het zijn van een economische eenheid. Kroeze merkt over dat element in de definitie van groep van art. 2:24b BW op:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/43b00bb65f2391e7d094ce013b8fa48a492bc9e25be7fbcd492e36dbfda248a9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 43b00bb65f2391e7d094ce013b8fa48a492bc9e25be7fbcd492e36dbfda248a9, en de alinea staat in dat document op bytes 88073 tot 89198.