Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2019

Onder 3.26 Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1063.

Staedion heeft deze algemene grief in haar memorie van antwoord als volgt bestreden. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat in 2004 noch in 2008 tussen partijen een overeenkomst van opdracht voor de bouw van 300 respectievelijk 240 woningen tot stand is gekomen en dat evenmin sprake is geweest van een contractuele verplichting tot (door)onderhandelen totdat een dergelijke overeenkomst tot stand was gekomen. Volgens Staedion was er slechts sprake van “een niet juridisch bindende intentie om in overleg te treden over de bouw van 240 woningen.” Deze intentie was niet juridisch afdwingbaar, en zo zij dit wel was, had zij niet de strekking om [eiseres] zonder meer opdracht te verstrekken voor de bouw van 240 woningen, aldus Staedion. Daarbij wijst Staedion erop dat ook indien het wel tot onderhandelingen zou zijn gekomen, het geen gegeven is dat daar ook een opdracht voor de bouw van 240 woningen zou zijn uitgekomen. Zij geeft aan dat het voor haar feitelijk onmogelijk was een locatie of project aan te dragen waar, conform de eis van [eiseres] , 240 woningen ineens konden worden gebouwd en dat zij beperkt was in haar mogelijkheden als gevolg van nieuwe regelgeving. Vervolgens gaat Staedion – aan de hand van de maatstaf voor het afbreken van onderhandelingen in de precontractuele fase – in op de vraag of zij de onderhandelingen met [eiseres] mocht afbreken. Deze vraag dient volgens Staedion bevestigend te worden beantwoord, nu [eiseres] er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat een overeenkomst van opdracht tot de bouw van 240 woningen tot stand zou komen, sprake was van gewijzigde marktomstandigheden en gelet op de gerechtvaardigde belangen van Staedion. In het kader van haar stelling dat sprake is van onvoorziene omstandigheden wijst Staedion erop dat de marktomstandigheden als gevolg van de kredietcrisis, de economische recessie en het instorten van de huizenmarkt zijn gewijzigd, hetgeen in 2004 en 2008 niet was te voorzien. Daardoor was het niet meer haalbaar en wenselijk om de resterende 240 woningen te bouwen, aldus Staedion. De gewijzigde marktomstandigheden vormen volgens Staedion een relevante omstandigheid bij de beoordeling of zij de onderhandelingen met [eiseres] mocht afbreken. Dit een en ander brengt Staedion tot de volgende slotsom:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8d91ecb2c7524881d516976697b639aaf2219a5ae6084549dd2ba597f3717296. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8d91ecb2c7524881d516976697b639aaf2219a5ae6084549dd2ba597f3717296, en de alinea staat in dat document op bytes 60800 tot 63660.