Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 november 2019

Alinea 76 Parket bij de Hoge Raad 19 november 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1168.

21. Zelfs als de motivering van het hof uiterst welwillend zou worden gelezen, in die zin dat daarin tot uitdrukking wordt gebracht dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is, kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven. Aldus gelezen, is het oordeel van het hof immers niet begrijpelijk. Uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota van de raadsman van de verdachte blijkt dat het verweer is gevoerd dat de verdachte kort voor zijn aanhouding geldbedragen heeft opgenomen van zijn bankrekening en dat deze onderdeel vormen van het ten laste gelegde geldbedrag. Daarbij zou het gaan om geldbedragen die afkomstig zouden zijn van de uitkering van de verdachte. Het verweer is onderbouwd met een transactieoverzicht van de bankrekening van de verdachte (bijlage bij pleitnota). De bewezenverklaring bevat het volledige, onder de verdachte aangetroffen bedrag. Het oordeel van het hof dat het ten laste gelegde geldbedrag afkomstig is uit enig eigen misdrijf is aldus in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd niet begrijpelijk gemotiveerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/72f0bbd70c9231f5df1a23e843ae1917613e1e468d175224c1112d06b5d5d483. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 72f0bbd70c9231f5df1a23e843ae1917613e1e468d175224c1112d06b5d5d483, en de alinea staat in dat document op bytes 25240 tot 26473.