Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 januari 2019

Onder 4.9 Parket bij de Hoge Raad 11 januari 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 januari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:123.

Bij de bespreking van het principaal cassatiemiddel heb ik reeds aandacht besteed aan de maatstaf die geldt voor de toepassing van art. 7 lid 1 Rv. Ik volsta met verwijzing naar 3.3-3.8 van deze conclusie. Het hof heeft geen rechtsregel miskend noch een onbegrijpelijk oordeel gegeven door te oordelen dat de vorderingen op [verweerder 1] en die op de Nederlandse gedaagden samenhangen in de zin van art. 7 lid 1 Rv ondanks dat zij niet precies dezelfde feitelijke grondslag hebben. Ten overvloede merk ik op dat de omstandigheid dat de gegrondheid van de ene vordering afhangt van de gegrondheid van een andere vordering, een rol kan spelen bij de beoordeling of het doelmatig is de vorderingen gezamenlijk te behandelen. De klachten van subonderdeel 2.1 falen voor zover zij betrekking hebben op de door het hof aangelegde maatstaf. Voor zover het subonderdeel betoogt dat [eisers] geen nadeel zouden hebben ondervonden van de transacties in Nederland omdat de aandelen reeds anderhalf jaar eerder waren onteigend, geldt dat het hof een en ander niet heeft miskend. Het hof heeft daarover in rov. 3.8 overwogen dat deze door [verweerder 1] gestelde omstandigheden niet tot het oordeel leiden dat geen samenhang bestaat tussen de vorderingen op de verschillende gedaagden. De klachten van het subonderdeel falen dus.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/49d00a0de8ef03eefc8d14d777031a9720ab632f6caad3fbf969e574761ac75b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 49d00a0de8ef03eefc8d14d777031a9720ab632f6caad3fbf969e574761ac75b, en de alinea staat in dat document op bytes 69270 tot 70702.