Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 februari 2019

Onder 3.5. Parket bij de Hoge Raad 19 februari 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:150.

De Grote Kamer van het HvJ EU heeft in zijn arrest van 24 oktober 2018 deze vraag ontkennend beantwoord. Daarbij heeft het HvJ EU onder punt 21 en 22 van zijn arrest vooropgesteld dat lidstaten zelf kunnen bepalen hoe zij het beginsel van gezag van gewijsde ten uitvoer leggen, nu daaromtrent een Unieregeling ontbreekt, maar zij daarbij wel gebonden zijn aan de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid. Dat betekent dat op grond van art. 4, lid 3, VEU waarin het beginsel van loyale samenwerking is vastgelegd, de procedureregels voor vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, niet ongunstiger mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen (gelijkwaardigheidsbeginsel), en dat die procedureregels de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (doeltreffendheidsbeginsel).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/092e5e269a7a642e86ecaa1f30be24ad033a3acf29b31b28469eada2e69ce42a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 092e5e269a7a642e86ecaa1f30be24ad033a3acf29b31b28469eada2e69ce42a, en de alinea staat in dat document op bytes 16235 tot 17206.