Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2019

Onder 3.10. Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:154.

‘Naar het oordeel van het hof schieten de stellingen van [eiseres] in het licht van deze eisen tekort. Vast staat dat de aanleiding voor het benaderen van [de bindend adviseur] was gelegen in een procedure tussen andere partijen, te weten [A] én [B] . Daarbij is in het najaar van 2014 gesproken over een door [C] uit te voeren “waarheidstraject” dat volgens de eigen stellingen van [eiseres] nodig geacht werd in verband met de door [A] gepretendeerde vorderingen die waren ingesteld bij rechtbank Gelderland en het daartegen door [B] gevoerde verweer. De vorderingen van [verweerster] in de onderhavige procedures zijn echter eerst in maart 2015 ingesteld. Niet betwist is dat de exoneratie, opgenomen in het verslag van de bijeenkomst van 5 december 2014, op initiatief [van] [de bindend adviseur] is opgesteld. Uit de omstandigheid dat deze exoneratie (ter vermijding van aansprakelijkheid van [de bindend adviseur] ) ruim is genomen en eventuele aanspraken van alle rechtspersonen omvat kan omgekeerd niet, althans niet ondubbelzinnig, de conclusie worden verbonden dat de ondertekenaars voor al hun rechtspersonen vrijwillig afstand van hun recht op toegang tot de overheidsrechter deden. Ook de omstandigheid dat het door [C] (naar aanleiding van de procedure tussen [A] en [B] ) ingezette waarheidstraject de projecten Parkzoom I en IV betrof, waarop ook de onderhavige vorderingen zien, is onvoldoende om daaruit een desbetreffende ondubbelzinnige afstand van het recht op toegang tot de overheidsrechter te zien. Ook in de e-mail van 13 april 2015 kan een (erkenning van een) zodanige afstand nog niet worden gelezen. Bij het voorgaande komt nog dat van overeenstemming over het bindend karakter van geschilbeslechting door [de bindend adviseur] uit de exoneratie niet zonder meer (ondubbelzinnig), blijkt en dat [eiseres] niet concreet zijn ingegaan op de stellingen van [verweerster] dat [de bindend adviseur] op 5 december 2014 desgevraagd de woorden “zo nodig” onder punt 1 van de exoneratie toen uitlegde als “eventueel”. Waar [eiseres] aan haar standpunt dat (ook) tussen haar en [verweerster] een overeenkomst als onder 5.4 bedoeld is overgekomen ook overigens geen (voldoende concrete) verklaringen of gedragingen ten grondslag heeft gelegd en ook uit de door haar hiertoe aangevoerde stukken nog geen zodanige ondubbelzinnige overeenkomst blijkt, gaat het hof voorbij aan haar aanbod te bewijzen haar algemene stelling dat [eiseres] en [verweerster] (ten aanzien van het project Parkzoom) overeen zijn gekomen hun geschil te laten beslechten door [de bindend adviseur] als bindend adviseur.’

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2918e4308a31aecebf12dcff4c1bfe2ffa48f65e84117b8e0081df6668efd6c5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2918e4308a31aecebf12dcff4c1bfe2ffa48f65e84117b8e0081df6668efd6c5, en de alinea staat in dat document op bytes 23871 tot 26512.