Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 februari 2019

Onder 5.7 Parket bij de Hoge Raad 22 februari 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:170.

Deze grief faalt. Niet in geschil is dat onder een rechtsbetrekking in de zin van artikel 843a Rv ook de rechtsbetrekking vanwege de door de provincie ingeroepen vernietigbaarheid van de aandelenoverdrachten en de rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad valt. Zoals uit de vastgestelde feiten blijkt, heeft Brachium haar aandelen in drie dochtervennootschappen op 30 december 2014 verkocht en op 15 januari 2015 overgedragen aan [A] B.V. , een andere vennootschap in haar concern. De transactie vond plaats nadat tussen Brachium en de provincie een geschil was ontstaan over de verplichtingen uit hoofde van de vervoersovereenkomsten en een overbruggingsregeling was gesloten die erop neerkwam dat de provincie voorschotten op een mogelijk toe te kennen schadevergoeding zou betalen, onder de verplichting voor Brachium om deze terug te betalen als de vordering tot schadevergoeding zou worden afgewezen. De transactie volgde binnen twee weken nadat de rechtbank de vordering afwees en er dus een aanzienlijke (terug)betalingsverplichting voor Brachium ontstond. Brachium heeft in de appeldagvaarding (onder 3.17) weliswaar gesteld dat zij al in oktober 2014 had besloten tot verkoop van de aandelen en dat vaststelling van de waarde al in oktober/november 2014 had plaatsgehad, maar zij heeft dat tegenover de gemotiveerde betwisting door de provincie niet onderbouwd, zodat het hof dit niet aannemelijk acht. Daar komt bij dat de koopovereenkomsten naderhand (bij addenda van 13 mei 2015) zijn gewijzigd in die zin dat de koopprijs van de aandelen de reële waarde zal bedragen in plaats van de intrinsieke waarde. Verder staat vast dat Brachium in 2015 ook inventaris en vervoermiddelen heeft verkocht en overgedragen aan [A] B.V. en in april 2016 tevens de door haar gehouden aandelen in een andere dochtervennootschap. Dit gebeurde in de fase nadat de provincie de vervoersovereenkomsten had ontbonden en de overbruggingsregeling had beëindigd, en zij Brachium tevergeefs tot betaling had gesommeerd en een bodemprocedure was begonnen waarin zij terugbetaling van voorschotten, betaling van verbeurde boetes en schadevergoeding vorderde. Bij dit alles moet ten slotte worden bedacht dat Brachium na de genoemde rechterlijke uitspraken geen enkele betaling aan de provincie heeft gedaan en dat executiemaatregelen van de provincie geen doel hebben getroffen. De gegevens die Brachium naar aanleiding van het incidentele vonnis van 9 september 2015 aan de provincie heeft verschaft, brengen in dat beeld geen verandering. Bij die stand van zaken was en is het vermoeden van de provincie gerechtvaardigd dat zij is benadeeld door de verkoop van de aandelen en/of de wijze waarop de verkoopopbrengst door Brachium is aangewend. Daarmee bestaat voldoende grond om een rechtsbetrekking als bedoeld in artikel 843a Rv aan te nemen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/42d75e21645f2b26ae16f79af371c9d057611d128e4d7ab82407625d774d5401. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 42d75e21645f2b26ae16f79af371c9d057611d128e4d7ab82407625d774d5401, en de alinea staat in dat document op bytes 30858 tot 33701.