Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 maart 2019

Onder 2.56 Parket bij de Hoge Raad 1 maart 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:189.

Naar mijn mening brengt dit mee dat eventuele preferenties die aan een vordering op een contractspartij verbonden zijn, zoals de preferentie van artikel 3:288 aanhef en sub e BW en van artikel 66 lid 3 WW jegens de ‘werkgever’, alleen kunnen worden ingeroepen bij het verhaal van de vordering op de gezamenlijke vennoten op het vennootschapsvermogen. De vorderingen op de afzonderlijke vennoten in privé staan geheel los van de contractuele vordering op de gezamenlijke vennoten. De individuele vennoten zijn geen werkgever, maar ‘slechts’ voor het geheel aansprakelijk medeschuldenaar. Aan de daaruit voortvloeiende vorderingen verbindt de wet geen preferentie.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ea95ffbb9fb71d09ed94476bc99d940aa5d3579f9cd9aa20abbd4f3cae79ccac. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ea95ffbb9fb71d09ed94476bc99d940aa5d3579f9cd9aa20abbd4f3cae79ccac, en de alinea staat in dat document op bytes 85409 tot 86157.