Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 maart 2019

Onder 1.5 Parket bij de Hoge Raad 1 maart 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:189.

Bij (tussen)vonnis van 25 april 2018 heeft de rechtbank vooropgesteld dat, nu UWV zich beroept op artikel 66 WW en artikel 40 Fw, in beide zaken de vraag centraal staat of [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als werkgevers hebben te gelden (rov. 4.1-4.7). Zij heeft vastgesteld dat partijen in dat kader van mening verschillen over enkele principiële vragen ten aanzien van de aard en het wezen van de vof, waarop geen duidelijk antwoord bestaat (rov. 4.8-4.9). Partijen hebben daarom ieder prejudiciële vragen voorgesteld. Nu de beantwoording daarvan van belang is voor de eis in de onderhavige zaken, alsook voor beslechting of beëindiging van inmiddels talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, heeft de rechtbank overwogen de vragen van partijen te zullen voorleggen aan de Hoge Raad ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing (rov. 4.13).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ea95ffbb9fb71d09ed94476bc99d940aa5d3579f9cd9aa20abbd4f3cae79ccac. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ea95ffbb9fb71d09ed94476bc99d940aa5d3579f9cd9aa20abbd4f3cae79ccac, en de alinea staat in dat document op bytes 15082 tot 16043.