Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2019

Onder 1.7 Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:192.

Dit oordeel bracht mee dat het hof alsnog moest onderzoeken of het gestelde (maar door [eiser] betwiste) telefonisch contact tussen [eiser] en [betrokkene 1] feitelijk heeft plaatsgevonden. Volgens het hof rust de bewijslast van die stelling op [verweerder] . Het hof achtte voorshands het bewijs van deze stelling geleverd, behoudens door [eiser] te leveren tegenbewijs (overweging 6.24). Het hof heeft [eiser] tot levering van tegenbewijs in de gelegenheid gesteld. Indien [eiser] erin slaagt tegenbewijs te leveren is volgens het hof geen sprake geweest van misbruik van procesrecht in de Rotterdamse procedure en zal de vordering van [verweerder] moeten worden afgewezen (overweging 6.25). Voor het geval dat [eiser] niet erin slaagt tegenbewijs te leveren, heeft het hof alvast het beroep van [eiser] op bevrijdende verjaring besproken in de overwegingen 6.25 – 6.32. Ten slotte verwierp het hof het verweer van [eiser] dat [verweerder] geen schade kan hebben geleden als gevolg van het gestelde onrechtmatig handelen van [eiser] (overweging 6.33).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b68d46d7b5ad85bda688ec1daadcd37ab6c15c3c745b159e8f88bd9b68990bac. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b68d46d7b5ad85bda688ec1daadcd37ab6c15c3c745b159e8f88bd9b68990bac, en de alinea staat in dat document op bytes 15451 tot 16555.