Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2019

Onder 2.2 Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:192.

Het recht (in dit geval: van [eiser] ) om bij de burgerlijke rechter een vordering tegen een ander in te stellen valt onder het in art. 6 EVRM en in art. 14 IVBPR beschermde recht van de burger op toegang tot de rechter. Dit recht is niet absoluut. Het brengt wel mee dat een beperking van dit recht slechts te rechtvaardigen is indien de beperking een legitiem doel dient en niet in een onevenredige verhouding staat tot dat doel. Aan een civiele procedure is eigen dat de rechter stellingen en standpunten van de ene procespartij gegrond en die van de andere procespartij ongegrond kan bevinden. Het enkele feit dat een burger van zijn procesbevoegdheid gebruik heeft gemaakt en een procedure tegen een ander is begonnen levert daarom op zich nog geen onrechtmatig handelen jegens die ander op, zelfs indien de eisende partij op alle geschilpunten door de rechter in het ongelijk is gesteld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b68d46d7b5ad85bda688ec1daadcd37ab6c15c3c745b159e8f88bd9b68990bac. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b68d46d7b5ad85bda688ec1daadcd37ab6c15c3c745b159e8f88bd9b68990bac, en de alinea staat in dat document op bytes 17679 tot 18585.