Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2019
Onder 2.19 Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2019
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:192.
Echter, in de redenering van het hof heeft [eiser] het niet gelaten bij zo’n eenvoudige stelling. In overweging 6.19.1 constateert het hof dat [eiser] zijn vordering in de Rotterdamse procedure in belangrijke mate heeft gebaseerd op de stelling dat voorafgaand aan het pleidooi van 8 december 1994 er geen enkel telefonisch contact is geweest tussen hem en [betrokkene 1] . Die vaststelling, beschouwd in het licht van de gedingstukken, is geenszins onbegrijpelijk: in dezelfde overweging haalt het hof immers diverse gedingstukken uit de Rotterdamse procedure aan, waarin het hof (naast het verwijt over het ontbreken van ‘wederhoor’) ook dit materiële verwijt van [eiser] aan [verweerder] als auteur van het boek heeft gelezen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b68d46d7b5ad85bda688ec1daadcd37ab6c15c3c745b159e8f88bd9b68990bac. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b68d46d7b5ad85bda688ec1daadcd37ab6c15c3c745b159e8f88bd9b68990bac, en de alinea staat in dat document op bytes 39766 tot 40515.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b68d46d7b5ad85bda688ec1daadcd37ab6c15c3c745b159e8f88bd9b68990bac | shasum -a 256