Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2019

Onder 2.20 Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:192.

Anders dan het middelonderdeel onder (iii) veronderstelt, staat het bestreden oordeel niet diametraal tegenover de rechterlijke uitspraken in de Rotterdamse procedure. In haar vonnis van 14 december 2005 (overweging 3.1) had de rechtbank Rotterdam vastgesteld dat de vordering van [eiser] tegen alle gedaagden onder meer was gebaseerd op de ontkenning van [eiser] (“ [eiser] heeft nimmer met advocaten gebeld in verband met procedures in de Chipshol-zaak”). In het geding tegen [betrokkene 1] heeft de rechtbank Rotterdam een bewijsopdracht gegeven. In het geding tegen [verweerder] heeft de rechtbank Rotterdam veronderstellenderwijs aangenomen dat de uitlating van [betrokkene 1] onrechtmatig was en niet gerechtvaardigd werd door een voldoende basis in de feiten (overweging 8.9). Om andere redenen (zie overweging 8.10 – 8.11) is de rechtbank Rotterdam tot de slotsom gekomen dat de door [verweerder] geciteerde uitlating van [betrokkene 1] “niet van dien aard was dat deze niet aldus – als weergave van een interview − door [verweerder] en Memory had mogen worden gepubliceerd, zonder onderzoek naar de juistheid van de beweringen en zonder vermelding van het standpunt van [eiser] ”.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b68d46d7b5ad85bda688ec1daadcd37ab6c15c3c745b159e8f88bd9b68990bac. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b68d46d7b5ad85bda688ec1daadcd37ab6c15c3c745b159e8f88bd9b68990bac, en de alinea staat in dat document op bytes 40595 tot 41848.