Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2019

Onder 2.27 Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:192.

In de bestreden overweging (6.21) toetst het hof aan de in overweging 6.18 weergegeven maatstaf, kort gezegd: heeft [eiser] zijn vordering in de Rotterdamse procedure gebaseerd op “feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden”? Het hof vond het formele verwijt van [eiser] aan [verweerder] (het niet toepassen van ‘wederhoor’) op zich niet voldoende om die gevolgtrekking te maken. Dat blijkt uit de omstandigheden die het hof onder (a) en (c) heeft opgesomd. Het hof constateert dan ook dat de ontkenning door [eiser] van enig telefonisch contact met [betrokkene 1] , een centrale stelling in de Rotterdamse procedure is geweest (b). Indien in dit geding komt vast te staan dat er voorafgaand aan de pleitzitting wél telefonisch contact tussen [eiser] en [betrokkene 1] is geweest, heeft [eiser] (in de Rotterdamse procedure) bewust en in strijd met de waarheid dat feit ontkend en is dus sprake van een feit als bedoeld in overweging 6.18. Voor zover deze twee middelonderdelen uitgaan van een andere lezing van de bestreden overweging 6.21, missen zij feitelijke grondslag.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b68d46d7b5ad85bda688ec1daadcd37ab6c15c3c745b159e8f88bd9b68990bac. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b68d46d7b5ad85bda688ec1daadcd37ab6c15c3c745b159e8f88bd9b68990bac, en de alinea staat in dat document op bytes 51260 tot 52527.