Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2019

Onder 2.41 Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:192.

De zesde deelklacht houdt in dat niet valt in te zien hoe het voorshands gegeven bewijsoordeel te rijmen is met het oordeel van het hof dat [eiser] vordering tegen [verweerder] evident ongegrond was. Deze motiveringsklacht is niet toegelicht. Ik neem aan dat bedoeld is dat van ‘evident’ (klaarblijkelijk) ongegrond niet kan worden gesproken indien een bewijsopdracht nodig is om vast te stellen of het betwiste telefoongesprek wel of niet heeft plaatsgevonden. De klacht faalt: één van de gevallen waarin sprake kan zijn van ‘evident ongegrond’ is nu juist de situatie waarin de desbetreffende vordering is gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan de eisende partij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen (zie voor de maatstaf: alinea 2.3 hiervoor). De slotsom is dat onderdeel 1.9 niet tot cassatie leidt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b68d46d7b5ad85bda688ec1daadcd37ab6c15c3c745b159e8f88bd9b68990bac. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b68d46d7b5ad85bda688ec1daadcd37ab6c15c3c745b159e8f88bd9b68990bac, en de alinea staat in dat document op bytes 62630 tot 63475.