Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2019

Onder 2.2 Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:249.

Subonderdeel 1b klaagt dat, indien en voor zover onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen de situatie waarin een partij zich voegt aan de zijde van enige gedaagde tegen wie verstek is verleend enerzijds en de partij die tussenkomt anderzijds, het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat [betrokkene 1] bij e-mail van 2 juni 2016 gevorderd heeft zich te mogen voegen op de voet van art. 217 Rv en dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat [eiser] in hoger beroep uitdrukkelijk heeft gegriefd tegen het oordeel van de voorzieningenrechter op dit punt . Uit de e-mail van de zijde van [betrokkene 1] van 2 juni 2016 blijkt dat zij stelde dat zij huurster van het chalet was en derhalve een eigen recht had jegens [verweerders] waarbij tevens is aangegeven dat zij zal bepleiten dat de dagvaarding niet aan haar is betekend, zodat [verweerders] niet-ontvankelijk zouden zijn in hun vordering. Volgens het subonderdeel heeft [betrokkene 1] in feite gevorderd te mogen tussenkomen, hetgeen door [eiser] in hoger beroep ook is aangevoerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4ba5a67a9f97b077affb11a0ba11f3e3201ab9c9fb7d21b343a982f0d3f82d63. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4ba5a67a9f97b077affb11a0ba11f3e3201ab9c9fb7d21b343a982f0d3f82d63, en de alinea staat in dat document op bytes 15067 tot 16284.