Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2019

Onder 2.8 Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:249.

“…een partij [kan] op de voet van art. 217 Rv in een aanhangig geding vorderen te mogen tussenkomen indien zij een eigen vordering wenst in te stellen tegen (een van) de procederende partijen en voldoende belang heeft zich met dat doel in te mengen in het aanhangige geding in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in de hoofdzaak kan ondervinden (vgl. voor het geval van voeging: HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241, NJ 2014/58, rov. 3.6.2). Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van een recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot tussenkomst kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4ba5a67a9f97b077affb11a0ba11f3e3201ab9c9fb7d21b343a982f0d3f82d63. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4ba5a67a9f97b077affb11a0ba11f3e3201ab9c9fb7d21b343a982f0d3f82d63, en de alinea staat in dat document op bytes 19790 tot 20633.