Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 april 2019

Onder 3.42 Parket bij de Hoge Raad 5 april 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:336.

Subonderdeel IV.1 klaagt – zakelijk weergegeven – dat het hof ten onrechte voorbij heeft gezien aan het bewijsrechtelijke karakter van de door [verweerster 1] c.s. overgelegde schriftelijke en notarieel vastgelegde verklaring van [getuige 3] . Het subonderdeel betoogt daartoe dat [verweerster 1] c.s. (gemotiveerd) hebben betwist dat Igvo niet heeft ingestemd conform de aandeelhoudersovereenkomst en dat uit de gedingstukken volgt dat er vóór 6 augustus 2001 wilsovereenstemming bestond tussen Frelan en USG . Het subonderdeel verwijst daarbij naar de memorie van antwoord en de notitie van [betrokkene 6] . Volgens het subonderdeel had het hof naar aanleiding hiervan hebben moeten beoordelen of Igvo de tekortkoming feitelijk had gesteld en zo ja, of [verweerster 1] c.s. die stellingen voldoende hadden betwist. Daarna zou het hof hebben moeten toekomen aan een bewijslastverdeling en in dat kader de verklaring van [getuige 3] , waaraan bewijsrechtelijk de status toekomt van een onderhandse akte, moeten waarderen in plaats van deze buiten beschouwing laten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/969d2cd7cfb76fa0863a720986fc24fcae4da8c4d7121dff7daeb20642630f32. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 969d2cd7cfb76fa0863a720986fc24fcae4da8c4d7121dff7daeb20642630f32, en de alinea staat in dat document op bytes 124658 tot 125851.