Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 april 2019

Onder 2.6.3 Parket bij de Hoge Raad 5 april 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:338.

“3.19. [verweerders] moest bij het aangaan van de overeenkomst, gelet op de gesprekken van 15 en 29 juni 1999, redelijkerwijs begrijpen dat [eiseres] niet bereid was te accepteren dat de plicht tot bijbetaling tientallen jaren zou kunnen voortduren terwijl geen bouwwerkzaamheden konden beginnen. [betrokkene 1] heeft immers steeds een heldere afbakening verdedigd: hetzij bestemming woningbouw, hetzij verval. Geen concrete feiten zijn gesteld waaruit volgt dat [verweerders] redelijkerwijs heeft mogen begrijpen dat [eiseres] bereid was een andere regeling te accepteren dan zoals verwoord door [betrokkene 1] . De tekst van artikel 16 sub f is zeer wel verenigbaar met het standpunt dat [betrokkene 1] steeds heeft verdedigd, omdat het woord “waarbij” in de derde zin van artikel 16 sub f kan worden opgevat in de zin van “bijvoorbeeld”.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c082d7d70a567121ac919674dd2082cf8468f6bf42952d92fef09a663bbfc95d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c082d7d70a567121ac919674dd2082cf8468f6bf42952d92fef09a663bbfc95d, en de alinea staat in dat document op bytes 25788 tot 26651.