Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 april 2019

Onder 2.6 Parket bij de Hoge Raad 12 april 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:376.

“In antwoord op voornoemde suggestie merk ik op dat ik het niet gewenst acht in dit opzicht een bijzondere regeling in de wet op te nemen, en ook hier de waardering van alle omstandigheden van het geval zou willen overlaten aan de rechter. (…) Ook mij komt het niet gerechtvaardigd voor een partij, die zelf (eventueel) zal getuigen, te beletten de getuigenverhoren bij te wonen. Zoals in het N.O.A.-rapport terecht wordt betoogd, zou het ook te ver gaan te bepalen dat de partij als eerste getuige moet worden gehoord, op straffe van verval van het recht daartoe, omdat dit er eerder toe zou leiden dat iedere partij – zekerheidshalve – zich maar als getuige laat horen. Bovendien zou een dergelijke bepaling de rechter beperken in zijn mogelijkheid de betrokken partij nu juist naar aanleiding van de verklaring van andere getuigen te ondervragen (…).”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7efde4cb1e0b2c647c30150e30367d24c734885b7ff65b6fd6d622fdb6411d69. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7efde4cb1e0b2c647c30150e30367d24c734885b7ff65b6fd6d622fdb6411d69, en de alinea staat in dat document op bytes 17393 tot 18336.