Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 april 2019
Onder 2.14 Parket bij de Hoge Raad 12 april 2019
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:376.
Getuige [eiseres] verklaart eveneens dat de huurbetalingen over januari en februari 2005 in mei 2005 plaatsvonden. Dat betekent dat met betrekking tot die twee maanden geen sprake is geweest van korting en dat de huur over deze twee maanden moet zijn betaald nadat artikel 4.7 in overeenkomst (2) was opgenomen. Wanneer deze overeenkomst zou zijn gesloten nadat die betaling had plaatsgevonden, had het opnemen van artikel 4.7 immers geen zin gehad. Hiermee is door [verweerder] voldoende aannemelijk gemaakt dat, anders dan het hof ten tijde van het tussenarrest van 9 mei 2017 veronderstelde, overeenkomst (2) niet op 7 september 2005 is ondertekend, maar op het eerdere tijdstip dat [verweerder] noemt. Het is daardoor ook niet (langer) aannemelijk dat overeenkomsten (2) en (3) op hetzelfde moment zijn ondertekend. Daarmee is eveneens het verband tussen die overeenkomsten verbroken.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7efde4cb1e0b2c647c30150e30367d24c734885b7ff65b6fd6d622fdb6411d69. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7efde4cb1e0b2c647c30150e30367d24c734885b7ff65b6fd6d622fdb6411d69, en de alinea staat in dat document op bytes 27896 tot 28908.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7efde4cb1e0b2c647c30150e30367d24c734885b7ff65b6fd6d622fdb6411d69 | shasum -a 256