Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 april 2019

Onder 2.4 Parket bij de Hoge Raad 26 april 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:450.

In het oud BW, artikel 1401, ontbrak een afzonderlijk relativiteitsvereiste. De Franse Code Civil , die in de negentiende eeuw model stond voor het Nederlandse wetboek, vereiste voor aansprakelijkheid: een faute (een onrechtmatige daad die aan de dader kan worden toegerekend), schade en oorzakelijk verband tussen beide (zie art. 1382 en 1383 Code Civil ). Aanvankelijk werd ook in Nederland deze rechtsopvatting gevolgd. In 1928 heeft de Hoge Raad het relativiteitsvereiste toegepast, in een geval waarin een grondeigenaar schadevergoeding vorderde van de Staat omdat deze een voornemen tot onteigening van zijn grond kenbaar had gemaakt zonder het onteigeningsbesluit ter inzage te leggen op de wettelijk voorgeschreven wijze. Volgens de eigenaar was het resultaat hiervan dat dit stuk grond praktisch onverkoopbaar werd. De Hoge Raad overwoog dat de verplichting tot terinzagelegging slechts ten doel heeft, de grondeigenaar te beschermen tegen een ongerechtvaardigde ontzetting uit zijn eigendom. Het voorschrift was niet bedoeld om de grondeigenaar te beschermen tegen nadelen die mochten voortvloeien uit een aanwijzing van zijn goed ter onteigening .

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3d94de41515d9c4ecfb6becbd0ae48374945e658f9cb8668eb9daa52dad93a07. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3d94de41515d9c4ecfb6becbd0ae48374945e658f9cb8668eb9daa52dad93a07, en de alinea staat in dat document op bytes 33584 tot 34951.