Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 mei 2019

Onder 3.7. Parket bij de Hoge Raad 14 mei 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:481.

41. Een getuige beschrijft in zijn verklaring bij de politie een verdachte met een opvallend litteken in het gezicht. In het proces-verbaal van de zitting is de vermelding al voldoende dat de rechter de verdachte verzoekt naar voren te komen teneinde zijn gezicht van dichtbij te kunnen gadeslaan. Van de zijde van de verdediging kan dan worden betwist dat er op het gezicht iets bijzonders valt waar te nemen. Voor een slepende tred bij het lopen geldt hetzelfde. De rechter verzoekt de verdachte van in de zittingszaal van A naar B te lopen teneinde zijn wijze van lopen waar te nemen. Dat verzoek met vermelding of verdachte eraan gevolg geeft, moet worden vermeld in het proces-verbaal van de zitting. Of verdachte een slepende tred heeft, kan worden gezien als een waardering van de wijze van het lopen. Hierboven noemde ik ook al het voorbeeld van een stok bij mishandeling. De waarneming van de stok hoort in het proces-verbaal van de zitting, terwijl de vraag of de stok wel geschikt is om iemand een gat in het hoofd te slaan een waardering is. De gebruikelijke randgevallen zijn hier onvermijdelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d4dec1ea8524194f244fa95602805bc06baa630a3e6c9d12d0ff226050cd86ff. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d4dec1ea8524194f244fa95602805bc06baa630a3e6c9d12d0ff226050cd86ff, en de alinea staat in dat document op bytes 49690 tot 50819.