Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 mei 2019

Onder 3.7. Parket bij de Hoge Raad 14 mei 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:481.

47. Ik realiseer mij dat mijn benadering voor zover het processtukken betreft het voorschrift dat de waarneming ter terechtzitting wordt gedaan sterk relativeert, zo niet uitholt. De rechtspraak van de Hoge Raad over het gebruik van de eigen waarneming (weliswaar onder bijzondere omstandigheden) als bewijsmiddel voor geval de waarneming niet terechtzitting heeft plaatsgevonden, biedt hiertoe een aanknopingspunt. Het voorgaande kan worden gezien als een pleidooi om deze rechtspraak verder uit te bouwen. Op de achtergrond is van belang dat de enkele omstandigheid dat het om waarneming van voorwerpen gaat die niet bestaan uit leesbare tekens in de huidige tijd geen inhoudelijk beletsel oplevert. Waarom beslissend moet zijn dat niet uit leestekens bestaande registraties en voorwerpen slechts kunnen worden waargenomen ter terechtzitting zie ik niet in. Ik verwijs hier ook naar randnummer 9. Oorspronkelijk was de eigen waarneming bedoeld voor onderzoek door de rechter los van de in het dossier gevoegde onderzoeksbevindingen. Daarvan is bij voorwerpen die onderdeel vormen van de processtukken geen sprake (meer).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d4dec1ea8524194f244fa95602805bc06baa630a3e6c9d12d0ff226050cd86ff. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d4dec1ea8524194f244fa95602805bc06baa630a3e6c9d12d0ff226050cd86ff, en de alinea staat in dat document op bytes 54959 tot 56167.