Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 mei 2019

Alinea 50 Parket bij de Hoge Raad 14 mei 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:481.

16. Ook voor zover de eigen waarneming van de rechter betrekking heeft op ‘andere stukken’ als bedoeld in art. 301, eerste lid, Sv moeten deze wanneer één van de rechters of de officier van justitie dit verlangt worden voorgelezen. De verdachte kan dit, zij het met enige beperking, verzoeken (art. 301 lid 2 Sv). In de praktijk wordt in eerste aanleg veelal gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de voorlezing te vervangen door de mededeling van de korte inhoud (art. 301 lid 3 Sv). Door die formulering komt de mogelijkheid van mededeling van de inhoud van andere stukken dan geschriften binnen bereik. Dat wordt nog bevorderd omdat in veel gevallen niet de korte inhoud wordt meegedeeld, maar volstaan wordt met de mededeling dat zich een bepaald stuk in het dossier bevindt. In hoger beroep wordt nog verder gegaan: meegedeeld wordt dat de stukken geacht worden te zijn voorgehouden, tenzij… Op deze wijze wordt het onderzoek van de rechter geacht plaats te vinden naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting (art. 348 en 350 Sv). Ik schrijf ‘geacht’ en breng daarmee tot uitdrukking dat het voorhouden van stukken in mindere of meerdere mate het karakter van een fictie heeft.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d4dec1ea8524194f244fa95602805bc06baa630a3e6c9d12d0ff226050cd86ff. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d4dec1ea8524194f244fa95602805bc06baa630a3e6c9d12d0ff226050cd86ff, en de alinea staat in dat document op bytes 20997 tot 22214.