Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019
Onder 1.3.3 Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:496.
Vraag 3 komt mijns inziens niet voor beantwoording in aanmerking omdat tussen de partijen in een eerder vonnis over de relevante periode al onherroepelijk is beslist over de onrechtmatigheid – en het causale verband met de schade – van het handelen dat de Staat wordt verweten. Het antwoord op de vraag is daarom niet noodzakelijk in de zin van art. 392(1) Rv om de vorderingen van [eisers] jegens de Staat te kunnen toe- of afwijzen, tenzij de Staat zich niet op het gezag van gewijsde beroept (art. 236(3) Rv), maar ik begrijp dat hij dat wél doet. Overigens volgt het antwoord mijns inziens uit vaste jurisprudentie, zodat de vraag zich ook volgens art. 393(8) Rv niet leent voor prejudiciële beantwoording.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb, en de alinea staat in dat document op bytes 37255 tot 37984.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb | shasum -a 256