Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019

Onder 4.0.4 Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:496.

In de tweede plaats heeft het genoemde vonnis van 1 maart 2017 van de rechtbank Noord-Nederland in de Dijk -zaak kracht van gewijsde. Ter zake van een aantal door de vragen 3 en 4 aangesneden kwesties is tussen [eisers] en de Staat al onherroepelijk geoordeeld, waardoor de vraag rijst of antwoord nodig is, in de zin van art. 392(1) Rv, om te kunnen beslissen op de vordering van [eisers] Daarbij komt dat het antwoord op beide vragen al éclairé lijkt door vaste rechtspraak, zodat zij zich ook op grond van art. 393(8) Rv niet lijken te lenen voor een prejudiciële beantwoording. Ik ga er niettemin op in.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb, en de alinea staat in dat document op bytes 100582 tot 101240.