Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019

Onder 4.2.7 Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:496.

Uit de nadere schriftelijke opmerkingen van [eisers] maak ik op dat zij de bijzondere positie van EBN als staatsdeelnemer in de maatschap relevant achten voor de beantwoording van de (eerste) vraag. Daarin leggen zij opnieuw de nadruk op de rol van EBN als mede-beleidsbepaler, maar ook op die van staatsdeelnemer, wiens verantwoordelijkheid volgens hen verder reikt dan die van een op winst gerichte onderneming: de Staat wordt geacht een breder belang te dienen en op een staatsdeelneming rust dan ook een bijzondere zorgplicht. De art. 2, 3 en 8 EVRM en art. 1 Eerste Protocol EVRM hebben hier huns inziens indirecte horizontale werking. Zij wijzen ook op de VN-richtlijnen voor mensenrechtenbescherming door ondernemingen. Ik begrijp hun betoog aldus dat in verband met de genoemde mensenrechtenbescherming de risicoaansprakelijkheid ex art. 6:177(2)(b) BW jegens EBN extensief moet worden uitgelegd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb, en de alinea staat in dat document op bytes 138081 tot 139190.