Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019

Onder 4.2.10 Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:496.

EBN bepleit op basis van de wettekst, de ratio van de risicoaansprakelijkheid, de parlementaire geschiedenis van art. 6:177 BW en de Mijnbouwwet dat als lid 2(b)-exploitant enkel een partij kan kwalificeren die feitelijke mijnbouwwerkzaamheden verricht. Uit de wettekst volgt dat de wetgever in beide subonderdelen van lid 2 het oog heeft op dezelfde activiteit: het (doen) aanleggen of in gebruik hebben van een mijnbouwwerk. Daarvan kan alleen worden gesproken bij fysieke werkzaamheden, vergelijkbaar met de werkzaamheden bedoeld in art. 6 Mbw, de opsporing en winning van delfstoffen. Dat wordt bevestigd doordat in de parlementaire geschiedenis steeds wordt aangehaakt bij mijnbouw activiteiten en herhaaldelijk wordt gesproken over de mijnbouw ondernemer , die in art. 134 jo. 113 Mbw wordt gedefinieerd als “een natuurlijk persoon of rechtspersoon die mijnbouwactiviteiten verricht”. Bij die definitie kan hier worden aangesloten, nu zij deel uitmaakt van de regeling Waarborgfonds mijnbouwschade, die complementair is aan de regeling van art. 6:177 BW. Deze uitleg van art. 6:177(2)(b) BW strookt ook met de definitie van exploitant in art. 1(x) Mbw; die bepaling wijst de persoon aan die feitelijk mijnbouwt. De exploitant kan worden vergeleken met de bedrijfsmatig gebruiker in art. 6:181 BW. De term ‘exploitant’ is beperkt tot de actieve mijnbouwer omdat alleen de onderneming die de mijnbouwwerkzaamheden uitvoert de kennis en kunde heeft om de vereiste voorzorgsmaatregelen te kunnen treffen. Dat is volgens EBN ook de achtergrond van de in art. 33 Mbw op de vergunninghouder gelegde zorgplicht. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dan ook dat de gevolgen van de verwezenlijking van een verhoogd gevaar bij de veroorzaker moesten liggen. Alleen degene die de feitelijke mijnbouw-werkzaamheden verricht, kan als veroorzaker worden aangemerkt. Uit diezelfde totstandkomingsgeschiedenis volgt dat de regeling een aansprakelijkheidsgat moest voorkomen in geval van illegale boringen, of legale boringen waarvoor geen vergunning nodig is. Dat strookt ook met de opzet van art. 6:176(2) BW, bij welke bepaling de wetgever wilde aansluiten en waarin eveneens twee soorten exploitant worden onderscheiden, en ook met het getrapte systeem dat het niet in werking getreden Verdrag kende waarop art. 6:177 BW is geënt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb, en de alinea staat in dat document op bytes 142729 tot 145910.