Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019

Onder 4.2.17 Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:496.

Uit de wettekst volgt dat exploitant is degene die het mijnbouwwerk aanlegt of doet aanleggen of in gebruik heeft. Deze bewoordingen worden in zowel lid 2(a) (vergunninghouder) als lid 2(b) (niet-vergunninghouder) gebruikt. Met EBN meen ik dat daaruit volgt dat de wetgever beide keren het oog had op dezelfde bezigheden. Uit vergelijking met het systeem van de Mijnbouwwet volgt dat het daarbij niet alleen om fysieke mijnbouwwerkzaamheden gaat. Art. 1(x) Mbw bepaalt dat exploitant is een houder van een vergunning voor het opsporen of winnen van koolwaterstoffen of, indien er meer houders van de vergunning zijn, één van die houders die overeenkomstig art. 22(5) Mbw is aangewezen om de ‘feitelijke werkzaamheden’ te verrichten of daartoe opdracht te geven. EBN ziet in de term “de feitelijke werkzaamheden” bevestiging van haar uitleg dat ook in art. 6:177 BW de feitelijke mijnbouwactiviteiten centraal staan. Dat lijkt mij niet juist.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb, en de alinea staat in dat document op bytes 150375 tot 151339.