Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019

Onder 4.2.20 Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:496.

Met EBN meen ik dat hieruit volgt dat de wetgever wilde voorkomen dat een leemte in het aansprakelijkheidsregime ontstaat als geen vergunninghouder valt aan te wijzen, zoals bij activiteiten die zonder vergunning illegaal zijn en activiteiten waarvoor geen vergunning is vereist. Hij wilde mijns inziens bij ontbreken van een vergunning naast de feitelijke (illegale) mijnbouwer ook profijttrekkende medebeleidsbepalers onder het regime van art. 6:177 BW brengen. Is er wel een vergunninghouder, dan is er geen leemte. Nu NAM als vergunninghouder fysieke mijnbouwwerkzaamheden verricht en EBN geen vergunning heeft, blijft EBN onder art. 6:177 BW buiten schot: vergunninghouder NAM kan immers reeds ex art. 6:177(2)(a) en (4) BW worden aangesproken. Het subsidiaire art. 177(2)(b) BW, geschreven voor als er geen vergunninghouder is, komt dan niet meer aan bod. Zou NAM zonder vergunning fysiek mijnbouwen (en EBN is profijttrekkende mede-beleidsbepaler), dan zouden zowel NAM als EBN ex art. 6:177(2)(b) BW als illegale exploitanten aangesproken kunnen worden, de eerste als feitelijke mijnbouwer, de laatste als profijttrekkende medebeleidsbepaler.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb, en de alinea staat in dat document op bytes 154627 tot 155925.