Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019

Onder 4.3.13 Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:496.

Het gaat daarbij om de vraag of de Staat met de kennis van toen in redelijkheid kon handelen zoals hij toen heeft gedaan, mede in aanmerking genomen de hem toekomende beoordelings- en beleidsvrijheid. Deze beoordelingsmaatstaf sluit aan bij hetgeen uit de rechtspraak van het EHRM volgt ter zake van de (positieve) verplichtingen van de Staat ex de art. 2, 3 en 8 EVRM. De art. 2 en 8 EVRM (het recht op leven, respectievelijk op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven, woning en correspondentie) lijken mij relevanter dan art. 3 EVRM (verbod op foltering en op inhuman and degrading treatment ) bij de beoordeling van eventuele Staatsaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW voor aardbevingsschade.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb, en de alinea staat in dat document op bytes 172469 tot 173285.