Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019

Onder 4.4.12 Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:496.

Art. 35 Mbw vroeg tot 2017 slechts een beschrijving in het winningsplan van “de bodembeweging ten gevolge van de winning en de maatregelen ter voorkoming van schade door bodembeweging”. Pas bij de wet van 21 december 2016 (zie onderdelen 2.3 en 2.4 van de bijlage) wordt ook gevraagd om een beschrijving van “de risico’s voor omwonenden, gebouwen of infrastructurele werken of voor de functionaliteit daarvan, met een risicobeoordeling”. Ingevolge art. 36 Mbw kon de minister tot 2017 instemming met het winningsplan alleen weigeren “in het belang van het planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen” en “in verband met het risico van schade ten gevolge van beweging van de aardbodem”. Pas sinds de wet van 21 december 2016 is weigering ook mogelijk “indien het in het winningsplan aangeduide gebied door Onze Minister niet geschikt wordt geacht voor de in het winningsplan vermelde activiteit om reden van het belang van de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan” of “indien nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan” of “indien nadelige gevolgen voor de natuur worden veroorzaakt.” De veiligheid(srisico’s) van de Groningers kwam(en) dus tot 2017 niet in de winningsplannen voor, noch als zodanig in de (limitatieve) gronden voor weigering van instemming, al werden zij kennelijk wel onder het hoofd ‘risico van schade ten gevolge van beweging van de aardbodem’ meegewogen in des minister’s besluitvorming (zij het volgens de Onderzoeksraad onvoldoende: zie onderdeel 5.5.10 van de bijlage). De vraag rijst daardoor of de Groningers dan in 2003 of 2007 met vrucht hun veiligheidsrisico’s aan de orde hadden kunnen stellen in beroep tegen die instemmingsbesluiten. De Afdeling heeft die veiligheidsrisico’s in 2015 en 2017 in de procedures over de instemmingsbesluiten 2015 e.v. (zie de onderdelen 5.5.16 en 5.5.45 van de bijlage), dus ruim ná de beving bij Huizinge, begrepen geacht in het oude weigeringscriterium ‘risico van schade ten gevolge van beweging van de aardbodem’ (zie rov. 8.1 van haar uitspraak), maar de vraag rijst of zij dat ook gedaan zou hebben ruim vóór de beving bij Huizinge, met name ten tijde van de instemmingsbesluiten met de winningsplannen 2003 en 2007 in 2003 resp. eind 2007, toen zowel de Staat als NAM uitdroegen dat hoogstens lichte schade aan gebouwen zou kunnen ontstaan, hetgeen belanghebbenden op het verkeerde been gezet kan hebben in de zin van de eerste uitzondering op formele rechtskracht, en toen de Groningers onmogelijk al rekening konden houden met de gevolgen waarmee [eisers] veel later werden geconfronteerd. Zij konden weliswaar ook in 2003 en 2007 bodembeweging aan de orde stellen, maar de Staat had hen verzekerd dat die beweging geen aardbevingen van enige betekenis zou inhouden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb, en de alinea staat in dat document op bytes 203475 tot 206429.