Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019

Onder 4.5.2 Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:496.

[eisers] wijzen op artikel 150 Rv, dat bepaalt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten draagt, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Art. 6:177a BW geeft volgens hen zo’n bijzondere regel. Het bewijsvermoeden in die bepaling heeft huns inziens een algemeen karakter en geldt in en buiten rechte. Het strekt ertoe de Groningers in staat te stellen hun schade vergoed te krijgen en hun vertrouwen in oplossing van de problemen te versterken. Gezien die ratio zal de rechter niet te licht weerlegging van het bewijsvermoeden mogen aannemen. Zij beantwoorden de vraag niet concreter, maar vermoedelijk achten zij het antwoord gegeven in het in de schriftelijke opmerkingen uitvoerig geciteerde advies van Hammerstein, Asser en Van der Bunt van 13 oktober 2017 aan onder meer de NCG. Dat advies houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb, en de alinea staat in dat document op bytes 217250 tot 218435.