Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019

Onder 4.5.8 Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:496.

Op de vraag wanneer een bewijsvermoeden voldoende is weerlegd, valt geen algemeen antwoord te geven. In grote lijnen doen zich twee soorten gevallen voor: (i) voldoende is dat het tegenbewijs significante twijfel aan de juistheid van het vermoeden oplevert. De eiser zal dan alsnog bewijs moeten leveren. Resterende onduidelijkheid blijft voor rekening van de eiser; hierbij worden veelal termen als ‘aannemelijk maken’ (van een andere gang van zaken) of ‘ontzenuwen’ (van de vermoede gang van zaken) gebruikt; (ii) tegenbewijs betekent: tegendeelbewijs: degene te wiens laste het vermoeden strekt, moet bewijzen dat het anders is gegaan dan vermoed. Resterende onduidelijkheid over de feitelijke gang van zaken komt in dat geval voor rekening van degene te wiens laste het vermoeden strekt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb, en de alinea staat in dat document op bytes 239283 tot 240159.