Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019

Onder 4.7.25 Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:496.

“Ingevolge het bepaalde in art. 6:97 BW - dat ook het voor 1 januari 1992 geldende recht weergeeft - dient de rechter de schade te begroten op de wij ze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Het gaat in het onderhavige geval om schade welke bestaat in waardevermindering van door de eigenaar van bouwgrond daarop gebouwde woningen, ontstaan als gevolg van het later aan de dag treden van verontreiniging van die grond. Mede met het oog op hanteerbaarheid van de methode van schadebegroting, rechtvaardigt de aard van zodanige schade dat het de rechter vrijstaat bij het begroten daarvan te abstraheren van bepaalde, de bijzondere situatie van de benadeelde eigenaar betreffende, omstandigheden. In het bijzonder kan buiten beschouwing worden gelaten dat de eigenaar de woningen niet heeft verkocht (vgl. het onder 5.1 overwogene in HR 9 oktober 1992, nr. 14.671, NJ 1994, 286).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb, en de alinea staat in dat document op bytes 324229 tot 325138.