Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019

Onder 4.9.8 Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:496.

Ad vraag 9a acht NAM het in beginsel mogelijk dat er bij schade door exploitatie van een mijnbouwwerk in bijzondere gevallen plaats is voor het oordeel dat persoonlijkheidsrechten zodanig zijn aangetast dat de gelaedeerde in zijn persoon is aangetast als bedoeld in art. 6:160(1)(b) BW, maar een dergelijke geval zal zich, gelet op het restrictieve wettelijke smartengeldstelsel en uw restrictieve rechtspraak, slechts in uitzonderlijke omstandigheden en dus niet algemeen voordoen. De hoofdregel is dat zich alleen een persoonsaantasting voordoet als de gelaedeerde lijdt aan een in de psychiatrie erkend ziektebeeld dat objectief als gevolg van het aansprakelijkheids-vestigende feit is vastgesteld. Angst en onbehagen zijn op zichzelf onvoldoende. Angst en onbehagen moeten hebben geleid tot voldoende ernstig geestelijk letsel om voor immateriële schadevergoeding in aanmerking te komen. Daarbij mag als eis worden gesteld dat de gestelde zorgen ook reëel zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bfce172e4b5b95f4f9bae78c457da5744460ca6729b46b56eecdd068159ea1eb, en de alinea staat in dat document op bytes 392563 tot 393901.