Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 mei 2019

Onder 1.6 Parket bij de Hoge Raad 17 mei 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:522.

Het hof heeft onder verwijzing naar het Rookverbodarrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2014 , kort samengevat, overwogen dat de vraag naar de rechtstreekse werking van art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag dient te worden beantwoord door uitleg van de desbetreffende bepaling aan de hand van de maatstaven van art. 31-33 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (hierna: Verdrag van Wenen). Indien noch uit de wet noch uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat geen rechtstreekse werking is beoogd, is de inhoud van de bepaling beslissend, waarbij het erom gaat of de verdragsbepaling onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast. Indien het op grond van de verdragsbepaling in de nationale rechtsorde te bewerkstelligen resultaat onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is omschreven, belet de enkele omstandigheid dat de nationale wetgever keuze- of beleidsvrijheid toekomt wat betreft de te nemen maatregelen ter verwezenlijking van dat resultaat, niet dat de bepaling rechtstreekse werking heeft (rov. 2.2). Art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag verplicht tot het tot stand brengen van het resultaat dat een ieder die een horeca-instelling betreedt of wil betreden gevrijwaard moet zijn van iedere mate van blootstelling aan tabaksrook. Daarmee is het te bereiken resultaat onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig omschreven om als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde te kunnen functioneren en is niet van belang dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag niet de middelen voorschrijft waarmee dit resultaat moet worden bewerkstelligd (rov. 2.3-2.4). Aan dat oordeel doet niet af dat de in deze zaak ter discussie staande uitzondering voor rookruimtes niet een reeds eerder bereikt beschermingsniveau terugdraait, maar al was bepaald sinds het rookverbod op horeca-inrichtingen van kracht is geworden. Daarbij is van belang dat twee situaties onder ogen kunnen worden gezien die kunnen meebrengen dat het te bereiken resultaat niet meteen tot stand behoeft te worden gebracht: (i) de Staat moet een redelijke termijn worden gelaten om tot wetgeving of andere maatregelen te komen, en (ii) een uitzondering op een verdragsvoorschrift kan gerechtvaardigd zijn als overgangsmaatregel (rov. 2.5). Niet blijkt dat het toelaten van rookruimtes als overgangsmaatregel bedoeld is. De verwachting van de Staat dat het integrale tabaksontmoedigingsbeleid er uiteindelijk toe zal leiden dat rookruimtes in de horeca overbodig worden, kan echter in redelijkheid niet worden beschouwd als een overgangsmaatregel voor het tot stand brengen van het door art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag voorgeschreven resultaat (rov. 2.7-2.8). Het hof concludeert dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag rechtstreekse werking heeft en dat onderzocht moet worden of de vorderingen van CAN toewijsbaar zijn en, meer in het bijzonder, of haar uitleg van art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag juist is (rov. 2.9).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c43f7d5e12ef33b67487d9d15da026f6a3f14e41b8fd96e1ef78f102a2e0070b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c43f7d5e12ef33b67487d9d15da026f6a3f14e41b8fd96e1ef78f102a2e0070b, en de alinea staat in dat document op bytes 9358 tot 12481.