Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 mei 2019
Onder 2.28 Parket bij de Hoge Raad 17 mei 2019
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:522.
Voor zover in de subonderdelen 2.1-2.2 nog wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat strijdigheid met het WHO-Kaderverdrag op grond van art. 94 Grondwet met terughoudendheid moet worden toegepast, gaat het middel uit van een onjuiste rechtsopvatting. Op grond van art. 94 Grondwet heeft de rechter de bevoegdheid én de plicht om de toepassing van binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften achterwege te laten indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende verdragsbepalingen. Art. 94 Grondwet veronderstelt de voorrang van een ieder verbindende verdragsbepalingen boven nationale regels. Daarmee strookt niet, zoals de Staat in zijn schriftelijke toelichting betoogt , dat de toets voor het aannemen van strijdigheid van een wettelijk voorschrift met een rechtstreeks werkende verdragsbepaling een terughoudend karakter zou hebben. Dat sprake zou zijn van een terughoudende toets volgt evenmin uit de rechtspraak van de Hoge Raad. De Staat heeft gewezen op twee uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. In deze uitspraken betreft het, kort gezegd, de vraag of de besluiten van de Belastingdienst om aan appellanten geen alleenstaande ouderkop in de zin van art. 2 lid 6 van de Wet op het kindgebonden budget toe te kennen, in strijd is met art. 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). De Afdeling herhaalt in deze uitspraken zijn vaste rechtspraak dat art. 3 IVKR rechtstreekse werking heeft in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen de belangen van het betrokken kind dienen te worden betrokken, maar dat wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, art. 3 lid 1 IVRK geen norm bevat die zonder nadere uitwerking in nationale regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Volgens de Afdeling dient de bestuursrechter te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheid binnen de grenzen van het recht is gebleven; deze toets heeft evenwel een terughoudend karakter. Het komt mij voor dat de Afdeling hier een terughoudende toets aangewezen acht, omdat zij van oordeel is dat art. 3 IVRK onvoldoende onvoorwaardelijk en nauwkeurig is. Van een onvoldoende onvoorwaardelijke en nauwkeurige verdragsbepaling is bij art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag geen sprake.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c43f7d5e12ef33b67487d9d15da026f6a3f14e41b8fd96e1ef78f102a2e0070b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c43f7d5e12ef33b67487d9d15da026f6a3f14e41b8fd96e1ef78f102a2e0070b, en de alinea staat in dat document op bytes 49981 tot 52660.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c43f7d5e12ef33b67487d9d15da026f6a3f14e41b8fd96e1ef78f102a2e0070b | shasum -a 256