Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2019
Onder 3.12 Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2019
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:561.
Onderdeel 2 richt zich tegen het oordeel in rov. 3.15 dat [eiser] – in het kader van zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade – onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit het hof zou kunnen afleiden dat hij in zijn persoon is aangetast. Het onderdeel betoogt dat het jarenlang (1995-2011) bestoken van iemand ( [eiser] ) met incasso van onterechte boetes omdat de overheid de identiteitsfraude niet adequaat heeft aangepakt, kwalificeert als een aantasting van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in art. 6:106 lid 1, onder b BW. Daarbij wijst het onderdeel er op dat alle boetebeschikkingen automatisch zijn opgelegd op basis van onjuiste gegevens, waarbij op [eiser] de plicht rust hier tegen op te komen, en dat [eiser] ter zake de boetes en daarmee samenhangende kwesties, zoals de gijzelingen, tegen de Staat heeft moeten procederen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6dc28ef8649e8e65910ecba17208621234bfee3894d115b00183df568f0fec78. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6dc28ef8649e8e65910ecba17208621234bfee3894d115b00183df568f0fec78, en de alinea staat in dat document op bytes 32587 tot 33526.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/6dc28ef8649e8e65910ecba17208621234bfee3894d115b00183df568f0fec78 | shasum -a 256