Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2019
Onder 3.13 Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2019
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:561.
Het onderdeel onderkent dat de lat om vergoeding van immateriële schade (hierna: ‘smartengeld’) te kunnen ontvangen in Nederland vrij hoog is, maar bepleit – met zoveel woorden – een ruimere toepassing van art. 6:106 lid 1, onder b BW. Art. 6:106 lid 1 BW kent drie categorieën gevallen waarin smartengeld kan worden toegekend: lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam en aantasting in de persoon op andere wijze. Het hof heeft de vordering van [eiser] aldus opgevat dat deze is gegrond op de stelling dat [eiser] op andere wijze in de persoon is aangetast. Dit wordt als zodanig niet in cassatie bestreden zodat hiervan moet worden uitgegaan. De categorie ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ omvat in ieder geval de situatie waarin geestelijk letsel is opgelopen, maar ook andere gevallen waarin geen sprake is van geestelijk letsel.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6dc28ef8649e8e65910ecba17208621234bfee3894d115b00183df568f0fec78. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6dc28ef8649e8e65910ecba17208621234bfee3894d115b00183df568f0fec78, en de alinea staat in dat document op bytes 33606 tot 34489.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/6dc28ef8649e8e65910ecba17208621234bfee3894d115b00183df568f0fec78 | shasum -a 256