Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 mei 2019

Alinea 141 Parket bij de Hoge Raad 28 mei 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:565.

Ad a. Van der Hulst heeft op 1 juni 2015 bij de rechter-commissaris verklaard dat de aantoonbaarheid van succinylcholine in de urine onder meer afhankelijk is van blaasledigingen. Ook Küpper & Bajanowski stellen in hun rapport van 8 augustus 2017 dat bij een langere overlevingsinterval met meerdere blaasledigingen succinylcholine mogelijk niet meer aantoonbaar is in de urine. Hoewel op grond van de stukken van het dossier niet kan worden vastgesteld of er in het onderhavige geval sprake is geweest van (een) tussentijdse blaaslediging(en), kan dit op grond van de stukken evenmin worden uitgesloten, te minder nu - zoals hierna zal blijken - [slachtoffer 1] , mogelijk nog een paar uur heeft geleefd na het ontstaan van de schade aan zijn hart en er zeer weinig urine in zijn blaas aanwezig was na zijn overlijden. Het gegeven dat succinylcholine niet in de urine van [slachtoffer 1] is aangetoond dwingt naar het oordeel van het hof niet tot de conclusie dat geen succinylcholine aan [slachtoffer 1] is toegediend.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7a36020b8b2b90ce36207c37fac2760020168a1a2b8c5b552032bf11793b910d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7a36020b8b2b90ce36207c37fac2760020168a1a2b8c5b552032bf11793b910d, en de alinea staat in dat document op bytes 48224 tot 49262.